Texel, je likte zo vaak al je wonden.
Maar je was en je bleef een gezegend stuk land.
Met je bossen, je duinen, je vogels en schapen.
Met je dorpen en velden, je zee en je strand.
Wij mensen, wij gaan toch zo vaak in het leven.
Voorbij aan het mooie dat jij ons steeds biedt.
Jij hebt ons dit alles toch zomaar gegeven.
Maar dank en waardering die is er vaak niet.
Wij bouwen en sjouwen op je oeroude bodem.
Wij wroeten en werken omdat het zo hoort.
Hoe vaak werd er niet te kortzichtig geoordeeld.
Hoe vaak werd niet iets onvervangbaars verstoord?
Mijn blikken gaan voor de laatste keer even.
Over 't land dat ik liefheb, het land waar ik woon.
Een schip aan de horizon koerst naar het oosten.
Een zilvermeeuw roept op een krijsende toon.
Ik loop van het duin waar ik stond , naar beneden.
Een wild konijn neemt geschrokken de ren.
Een leeuwerik zingt boven mij aan de hemel.
Wat ben ik blij dat ik Texelaar ben.